De Tjiomas zaak in verband met de belangen der opgezetenen van de particuliere landerijen bewesten Tji-Manok

70,00

De Tjiomas zaak in verband met de belangen der opgezetenen van de particuliere landerijen bewesten Tji-Manok door J.P.Th. Van Nunen.  8vo, softcover 40 pagina’s, uitgegeven te Amsterdam door L. Kervel & Co

1 op voorraad

Beschrijving

This post is also available in: English

Joannes Paulus Theodorus van Nunen, werd geboren op 29 maart 1850 te Breda, Hij overleed op 31 januari 1910 in Hillegersberg.  Hij was leraar geschiedenis van Nederlands-Indië, “Gymnasium Willem III” te Batavia, van 25 mei 1884 tot 1888. Daarna was hij lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 10 juli 1888 tot 9 november 1892 (voor het kiesdistrict Zevenbergen). Gold als één van de bekwaamste katholieke afgevaardigden. Vlug, gemakkelijk, aangenaam spreker, die zijn zaken goed kende. Had het gehoor van de Kamer. Keerde in 1893 terug naar Nederlands-Indië.

De Tjiomas affaire was een opstand en de onderdrukking daarvan, die in 1886 plaatsvond op de Tjiomas plantage bij Buitenzorg (Bogor). Deze opstand werd veroorzaakt door verregaande uitbuiting van de lokale bevolking door de Landeigenaar De Sturler.  Het landgoed Tjiomas werd in 1867 gekocht door Johann Wilhelm Edouard de Sturler. De 39-jarige nieuwe eigenaar stamde weliswaar uit een oude Zwitserse familie, maar was geboren en getogen in Nederlands-Indië. Het landgoed Tjiomas beheerde hij met twee van zijn vier zonen, J.W.E. en A.L. de Sturler, terwijl de echtgenoot van één van zijn twee dochters, de voormalige KNIL-officier KP.C. ‘Paddy’ Sol, de functie van administrateur bekleedde. Hij betaalde voor deze plantage het voor die tijd absorbitante bedrag van f 1.400.000,- terwijl de plantage eerder getaxeerd was op f 800.000,-. De Sturler kon zich deze hoge aankoopprijs veroorloven door winsten die hij maakte als mede-eigenaar van de suikerfabriek Besito. De plantage Tjiomas had de landheer veel geld gekost en het moest dan ook meer gaan opbrengen. Hiertoe vernieuwde De SturIer het contract dat zijn voorgangers met de lokale bevolking hadden gesloten. Tijdens de koffiepluk moest de bevolking ook ‘het benodigde aantal vrouwen en kinderen’ naar de koffietuinen sturen om gedurende vijf dagen koffie te plukken of te sorteren. Rijst was en bleef echter het hoofdproduct van Tjiomas, waarvan de landheer jaarlijks een vijfde van de oogst als contingent verkreeg. Het contract werd door de meerderheid van de bevolking ‘vrijwillig’ aangegaan, ondanks dat nu ook vrouwen en kinderen verplicht waren voor de landheer te werken en er aan de belangrijke heffing van de rijst niets was veranderd. Wie zich niet aan het contract onderwierp, werd verplicht zware herendiensten te verrichten en een hoge tuinhuur te betalen in de vorm van door de landheer vastgestelde heffingen op alle geteelde producten. Bovendien werd hij in ‘de gaten gehouden en geïntimideerd door de tiamat, die beschikte over een uitgebreid familienetwerk dat hem op de hoogte hield van de ontwikkelingen op Tjiomas. Weigeraars werden soms ook voor het niet betalen van enkele verschuldigde heffingen voor de landraad gedaagd en veroordeeld, waarna eventueel hun bezittingen werden verkocht. Sommige bewoners ging dit alles te ver. Er was op een gegeven moment zelfs sprake van een oploop van ca. 2000 personen die bij de assistent-resident van Buitenzorg de verbreking van het contract verlangden en zich beklaagden over’ de mishandelingen, hun door de koffie-opzieners aangedaan’

Deze assistent-resident was Burnabij Lautier die al een lange loopbaan als koloniaal ambtenaar achter de rug had. In zijn carriere was hij herhaaldelijk in conflict gekomen door zijn inzet tegen misstanden in het koloniaale bestuur. De in Padang geboren Burnabij Lautier was tijdens zijn opleiding in Delft onder de indruk geraakt van Multatuli’s Max Havelaar en de ophef die het veroorzaakte. Be terugkeer in Indië ging hij dan met Multatuliaans vuur aan de slag om misstanden te bestrijden. Het kwam het op berispingen en overplaatsingen te staan. Toch wist hij in 1884 de positie van assistent-resident te Buitenzorg te bereiken. Het nieuwe hoofd van plaatselijk bestuur kreeg het vrijwel onmiddellijk aan de stok met enkele particuliere landeigenaren in zijn afdeling, vooral door hen met terugwerkende kracht een hogere belastingaanslag op te leggen. Tevens verlaagde hij op verschillende landerijen de tuinhuur en verminderde hij de omvang van de daar gangbare herendiensten. Ook ontsloeg hij tjamats. De meeste landeigenaren accepteerden uiteindelijk Burnabij Lautiers maatregelen. Uitsluitend de beheerder van de landen Soekaradja, Tjiloear en Tanah-Baroe, C.H.F. Riesz, reageerde woedend en riep de hulp in van de gouverneur-generaal. De Gouverneur Generaal Otto van Rees, was een hervormingsgezinde beroepsambtenaar, Hij steunde zijn assistent-resident in diens bestrijding van misstanden.

Op dinsdag 23 februari werd Tjiomas plots opgeschrikt door een moord. Het betrof hier niemand minder dan tjamat Abdoelrachim – dezelfde die Bumabij Lautier nog de ‘hoeksteen’ had gevonden van het stelsel van onderdrukking op het landgoed. Hij werd door een zekere Apan neergestoken. Het onderzoek naar de moord werd opgedragen aan de assistent-resident van de politie te Batavia, KL. von Czernicki, en aan assistent-resident Coenen die Bumabij Lautier inmiddels was opgevolgd. Na enkele getuigen te hebben verhoord, rapporteerden zij op 14 maart dat Apan tot zijn daad was gekomen ‘in een toestand van wanhoop waarin hij gebracht was door kort tevoren ondervonden onbillijke bejegeningen’ van de zijde van de landheer en diens vertegenwoordigers. Von Czernicki en Coenen doelden hierbij vooral op de extreem hoge tuinhuur die Apan moest betalen omdat hij het contract van 1869″had opgezegd. Aangezien hij’ zich niet langer wilde bukken onder het juk dat hem werd opgelegd’ was hij van Tjiomas vertrokken, om op 19 februari als een geheel ander mens terug te keren. Apan meende nu een ‘door Allah gezonden onsterfelijken Imam Mahdi’ te zijn. Door tjamat Abdoelrachim liet hij zich dan ook niet meer tot de orde roepen, met alle gevolgen van dien. Uiteindelijk werd Apan op 24 februari door twaalf politiekogels doorzeefd. Op 19 mei zouden de spanningen op Tjiomas zich namelijk in alle hevigheid ontladen. Een door de landheer voor de inheemse bevolking georganiseerd feest werd overvallen door zo’n veertig man met witte doeken om het hoofd. Onder het roepen van ‘heilige oorlog’ werden vier feestvierders met de klewang afgeslacht, waarna bij het koffie-etablissement Gadok op het landgoed stellingen werden ingenomen. J.W.E. de SturIer jr. riep onmiddellijk de hulp in van assistent-resident Coenen, die snel met enkele politieagenten poolshoogte kwam nemen. Na een aanval van de opstandigen volgde echter een chaotische vlucht met de assistent-resident in een hoofdrol. ‘De assistent-resident, snel te paard willende stijgen, viel, omdat het zadel onder de buik van ’t paard geraakte en moest te voet vluchten’, aldus een getuige. ‘Hij was echter niet in staat hard te loepen, en zou wellicht in handen gevallen zijn van de moordenaars, indien niet jhr. J.W.E. de SturIer jr. zijn paard had afgestaan en zelf te voet ware verder. De onbeholpen vlucht van assistent-resident Coenen en zijn politiemacht bracht op Tjiomas grote onrust teweeg. De resident van Batavia, O.M. de Munnick, restte niets anders dan met alle middelen het gezag en het prestige van het koloniaal bestuur te herstellen. Op 20 mei trok hij nauwelijks hersteld van het 25-jarig huwelijksfeest van de president van De [avasche Bank, N.P. van den Berg, dat de gehele nacht van 18 op 19 mei had geduurd (De Munnick 1912:240) – met een peloton infanterie van het KNIL, samen met de Buitenzorgse politie, de assistent-resident, De SturIer en diens zoon ‘Pol’ en schoonzoon ‘Paddy’ naar het opstandige gebied. Hier kwam het tot een vuurgevecht dat de meeste opstandigen al snel deed vluchten. ‘Slechts enkelen bleven staan tandakken’, aldus een getuige, waarop de resident verklaarde dat die personen koste wat kost moesten worden neergeschoten, aangezien zij anders later.’heiligen en onkwetsbaren’ genoemd zouden worden. Eén van de opstandigen bleek echter moeilijk te raken, ondanks de aansporing van assistent-resident Coenen: ‘Ik loof f 10,- uit aan wien hem neerlegt.’ Het leven van een Soendanees was Coenen blijkbaar niet zo veel waard, hoewel, toen succes uitbleef, de aanwezige KNIL-luitenant ‘een fijn dineetje als ge hem neerlegt’ in het vooruitzicht werd gesteld. Uiteindelijk mocht ook De SturIer jr. een poging wagen. ‘Schiet goed raak’, werd hem hierbij door Coenen meegedeeld. Toen de kruitdampen weer waren opgetrokken, bleken drieëndertig opstandigen te zijn gedood en vierenvijftig gewond, waarvan acht dusdanig ernstig dat zij spoedig zouden overlijden.’ Voor gouverneur-generaal Van Rees was de maat nu meer dan vol. Sterker nog: hij was woedend over de gang van zaken en over het feit dat het tot gewelddadigheden was gekomen. Dat De Sturler jr. had mee geschoten, achtte hij een schandaal. De weinig heldhaftige assistent-resident Coenen werd op 22 mei met onmiddellijke ingang uit zijn betrekking ontslagen en vervangen door Von Czernicki.é die tevens de opdracht kreeg een officieel onderzoek naar de gebeurtenissen op Tjiomas in te stellen. Dit onderzoek werd uitgevoerd door de patih van Anjer, raden Penna, en aspirant-controleur Van Rees, de zoon van de gouverneur-generaal, die ook het uiteindelijke rapport zou schrijven. Dit rapport werd op 26 juni 1886 aan de resident van Batavia aangeboden. De zoon van de gouverneur-generaal concludeerde erin dat de opstand niet zozeer een godsdienstige achtergrond had alswel gericht was ‘tegen den landheer van Tjiomas en tegen al degenen, die hem aanhingen’. De oorzaak van de onvrede lag in het contract van 1869 dat op Tjiomas het Cultuurstelsel ‘in zijn meeste hatelijken vorm’ had ingevoerd. De landheer eiste’ arbeid zijner bevolking gedurende verscheidene dagen in de bergen, op groote afstanden hunner woonplaatsen, eischte op diezelfde plaatsen de verplichte opkomst van vrouwen en kinderen, om, ver van hunne ouders of familieleden, gedurende meerdere dagen in de koffietuinen te werk te worden gesteld’. Verder liet hij erven volplanten met koffiebomen, ‘niettegenstaande het hem bekend moet zijn geweest, dat de erven voor het meerendeel der bevolking het eenig middel van bestaan zijn’. Was het een wonder dat de bevolking van Tjiomas ontevreden was, zo vroeg de jeugdige Van Rees zich af? Hierbij kwam nog dat ‘Pol’ de Sturler en ‘Paddy’ Sol zich soms zo gewelddadig tegenover de bevolking gedroegen, dat velen slechts heil verwachtten van de dood of de verdrijving van de landheer en zijn handlangers. In zijn rapport memoreerde Van Rees de ‘stijfhoofdigheid’ en het ‘haatdragend karakter’ van Sol en de ‘groote mate van hardhandigheid’ van De Sturlers zoon. Ook meende ‘Pol’ bijzondere rechten te hebben op de inheemse vrouwen van Tjiomas. Er was slechts één oplossing. Slechts één maatregel kon de rust op Tjiomas weer doen terugkeren, namelijk het, op basis van artikel 47 van het regeringsreglement, vader en zoon De Sturler en schoonzoon Sol ontzeggen vaneen verder verblijf in West-Java. Deze conclusie werd van harte ondersteund door procureur-generaal R. van Coens, die vader en zoon De Sturler en schoonzo’Ön Sol vergeleek met ‘Perzische satrapen en Oostersche despoten […] wier eenig streven bestaat in het zich per fas ad ne fas verrijken ten koste van hunne ondergeschikten’. Gouverneur-generaal Van Rees maakte op 21 augustus zijn maatregelen bekend. De Raad van Indië had hem geadviseerd uitsluitend ‘Pol’ en ‘Paddy’ te straffen, aangezien een verbanning van de landheer zelve ‘het vuur der ontevredenheid, dat elders smeulen mocht’, hier of daar zou kunnen doen ontvlammen. Er waren meer particuliere landerijen waar de bevolking het bepaald niet gemakkelijk had. Vandaar dat Van Rees besloot slechts’ de meest gehate elementen’ van het land Tjiomas te verwijderen door jhr. A.L. de Sturler en KP.C. Sol het verblijf in de afdeling Buitenzorg te ontzeggen.” Landheer rW.K de Sturler kwam er vanaf met een ernstige waarschuwing. Het verwijderingsbesluit van 21 augustus 1886 was het begin van een geruchtmakende affaire die de gemoederen in Nederland en NederlandsIndië nog lang zou bezighouden. De familie-De Sturler zorgde ervoor dat haar kant van het verhaal algemeen bekend werd, mede door de publicatie van het bijna 300 pagina’s dikke De zaak- Tjiomas door den landeigenaar toegelicht, vol met officiële stukken, waarbij onmiddellijk opviel dat het gouvernement nauwelijks op de vele klachten van de landheer van Tjiomas had gereageerd. Uiteindelijk slaagden de De Sturlers erin een deel van de publieke opinie en enkele invloedrijke leden van de Tweede Kamer van hun standpunt te overtuigen, tot verbijstering van gouverneur-generaal Van Rees. Begin december 1886 schreef de laatste: .

‘Dat deze personen op zulk eene wijze de opinie van een groot deel van het

publiek hebben weten te winnen is naar mijn inzien wel een bewijs wat logen

en laster, gesteund door geld en onbeschaamdheid, vermogen om het gevoel

van eer en recht in het gemoed van velen te verstijtken,.l

In juni 1887 zou de Tweede Kamer vijf dagen achtereen over de Tjiomasaffaire debatteren, waarbij het optreden van Van Rees bepaald niet werd gesteund. Uiteindelijk was de conclusie van het debat dat er werd opgeroepen de heren Sol en De Sturler jr. zo snel als verantwoord was te herstellen in hun rechten. Het werd echter aan de Indische regering overgelaten wanneer het verantwoord was, dit resulteerde de facto in het in stand laten van de verbanning. Omdat ook minister van Koloniën Sprenger van Eyk kritiek leverde op het besluit Sol en De Sturler jr. uit Buitenzorg te verwijderen, besloot de gouverneur-generaal op 11 januari 1888 zijn ontslag in te dienen.