E. Van Delden – De particuliere landerijen op Java

45,00

De particuliere landerijen op Java. Proefschrift en stellingen ter verkrijging van den graad van doctor in de rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te Leiden, (…) door Emile van Delden. Leiden. – S.C. van Doesburgh. – 1911. Papieren omslag (enigszins verkleurd), 284 pp., ongesneden, formaat: 24,5 x 16 cm.

1 in stock

Description

This post is also available in: Nederlands

Uit het tijdschrift “Onze Eeuw”, jaargang 11 (1911) (door E.B. Kielstra en K. Kuiper):

Het moeilijkst onderwerp werd m.i. door den heer Van Delden ter hand genomen. Over die particuliere landerijen is zooveel geschreven – eenzijdig, door alle partijen! – dat men groot gevaar loopt, niet volkomen onpartijdig te blijven. We zijn het allen eens, dat het in den tegenwoordigen tijd niet meer aangaat, ‘landheeren’ – Europeanen, Chineezen, Arabieren – in Indië te hebben, die het recht van belastingheffing hebben, in geld en in arbeid, en ook in andere opzichten een macht bezitten die men liefst ziet in handen van het openbaar gezag.
Maar daarbij is het geheel onnoodig, ‘misstanden’ te zoeken die in werkelijkheid niet bestaan. Als de heer van Delden (bl. 60) spreekt over de ‘verschrikkelijke’ gebeurtenissen op Tjiomas in 1885-86, dan toont hij slechts tot de oppervlakte der zaak te zijn doorgedrongen. Er ‘volgden een paar verbanningen van schuldigen aan bovengenoemd drama’, zegt hij; maar heeft hij niet opgemerkt dat, tot herstel van geleden onrecht, een dier ‘schuldigen’ in 1888 benoemd werd tot lid van de Indische Rekenkamer? De Regeering van dien tijd toonde daarmede wel afdoende dat zij de schuld van het ‘drama’ niet bij de landheeren zocht. Wat de politie betreft, – de landheer ‘heeft het recht van uitkiezen en voordragen der inlandsche hoofden, die dan door de plaatselijke autoriteit worden benoemd’ (bl. 65). Deze bepaling ziet er ‘onschuldig’ uit, maar is een ‘machtig wapen in handen van een landheer die kwaad wil’, meent de heer v.D.: ‘de controle is te eenenmale onvoldoende en de landheer, die zijn menschen beter kent dan de autoriteit, kan door zijn recht van voordracht grooten invloed op den gang van zaken uitoefenen’.
Is dit nu een argument tegen het bestaan van particuliere landerijen? Als de controle onvoldoende is, kan men haar verscherpen; maar het zal toch wel altijd wenschelijk blijven dat men de menschen kan beoordeelen, voordat men hen voor het bekleeden eener betrekking in aanmerking brengt! Op de particuliere landerijen heerscht gemis aan voldoende veiligheid (bl. 66), maar de heer v.D. erkent dadelijk daarop (bl. 67, 69) dat dit gemis ook op de gouvernementslanden wordt gevoeld.
En de heerendiensten? Volgens het reglement van 1836 mag de landheer per jaar 52 dagdiensten van de opgezetenen vorderen; daarop heeft hij nu eenmaal recht. Maar in de gouvernementslanden, zegt de heer v.D. (blz. 55) worden hoogstens 30, veelal minder gevorderd; de gevolgtrekking ligt voor de hand: wat is de inlander op het particuliere land er slecht aan toe! Evenwel, – de zaak staat eenigszins anders:
1o. op de particuliere landen wordt de heerendienst verricht ‘onder genot van voeding’ (blz. 75), in de gouvernementslanden is hiervan geen sprake;
2o. de heerendienst op de gouvernementslanden wordt aangevuld: a. met het hoofdgeld waarmede sommige diensten zijn afgekocht, b. met de desadiensten.
3o. de controle op de verrichte diensten in de gouvernementslanden is hoogst gebrekkig… Het bestaan van ‘staatjes in den staat’, zooals de particuliere landen op Java, is uit den tijd; maar … men moet niet te veel willen bewijzen!
Van dit laatste nu geeft de heer v.D. een aardig staaltje op blz. 62: … ‘Als men nu bedenkt dat de millioenen, die de waarde van het bezit van deze landerijen vertegenwoordigt, hier op de bevolking verdiend zijn; dat nog nooit een Chinees of Arabier met eenig noemenswaard kapitaal over zee is gekomen om het hier in land te beleggen, maar dat zij alleen bij kleine beetjes, door spaarzaamheid en rusteloozen arbeid aan den eenen kant, maar anderzijds ook dikwijls door profiteeren van de domheid der inlanders zoover zijn gekomen dat zij een of ander land konden machtig worden, dan zeker voelt men iets voor eene bepaling die het onmogelijk zoude maken dat een regime bestond als dit, waarbij Chineezen en Arabieren als despootjes optreden.’
De praemisse is al dadelijk onjuist: de meeste Chineezen en Arabieren, die landeigenaren zijn, kwamen niet ‘over zee’, maar zijn op Java geboren; hunne vaders en grootvaders zijn in den handel – ook door de hun door den Staat afgestane pachten – rijk geworden, zij zijn van geboorte kapitalisten. Dat het geld ‘door spaarzaamheid’ en ‘rusteloozen arbeid’ is bijeengebracht, is toch zeker niet af te keuren; van alle kooplieden haast kan men beweren, dat zij profiteeren – of trachten te profiteeren – van de ‘domheid’ van anderen … En waarom zou, in het algemeen, de kapitalist geen vaste eigendommen mogen koopen? Het grappige is dat de schrijver al wat hij tegen ‘Chineezen en Arabieren’ aanvoert, ook, met evenveel recht, op Europeanen in Indië zou kunnen toepassen.
Ik moet mij in mijn critiek beperken, en meen met het bovenstaande ook reeds genoeg argumenten te hebben aangevoerd voor mijne conclusie, dat de heer van Delden veel waardevol materiaal heeft bijeengebracht, maar dit niet altijd even goed heeft verwerkt, – wat trouwens in een ‘proefschrift’, van iemand die nog de school der practijk moet binnentreden, niet te verwonderen is.