Sintels, J.C. Bloem.

15,00

Sintels, J.C. Bloem, Nederlands, octavo, gebonden, half linnen, 16 pagina’s. Uitgegeven in 1945 door A.A.M. Stols te ’s-Gravenhage. Conditie, zeer goed.

1 op voorraad

Artikelnummer: CS00647 Categorieën: , , , Tag:

Beschrijving

This post is also available in: English

Jakobus Cornelis (Jacques) Bloem (Oudshoorn, 10 mei 1887 – Kalenberg, 10 augustus 1966) was een Nederlands dichter en essayist over poëzie. De grootvader van Jacques Bloem, Jacobus Cornelis Bloem geheten, werd geboren te Tilburg in 1822 en was minister van Financiën in het conservatieve kabinet-Heemskerk Azn. Zijn zoon Jacobus Willem Cornelis Bloem, de vader van Jacques Bloem, werd in 1886 burgemeester van Oudshoorn bij Alphen aan den Rijn en trouwde met Catharina Maria Anna van Eck. Jacques Bloem was hun eerste kind. Hij groeide op in een grootburgerlijk en beschermd milieu. Grootvader Bloem liet in 1902 een erfenis na, waarop vader Bloem ontslag nam en het gezin zorgeloos kon leven in een villa te Amersfoort. Het vermogen ging verloren in 1904, vermoedelijk door malversaties van de vermogensbeheerder. Dit droeg bij aan Bloems wantrouwen tegen de ‘boze buitenwereld’. In 1914 werd de vader benoemd tot burgemeester van Hardenberg, waartoe het gezin in 1915 naar Almelo verhuisde. Het beschermde milieu had grote invloed op Jacques, die het later zou ervaren als een ‘verloren paradijs’, waarnaar geen terugkeer mogelijk was. Op school toonde hij zich een zeer matige leerling, maar hij was voorbestemd voor de rechtenstudie. Sinds ongeveer 1903 ontwikkelde Jacques Bloem, vermoedelijk geïnspireerd door werk van Jacques Perk, zich tot dichter. In 1908 ontmoette hij Jan Greshoff en even later ook P.N. van Eyck, die een belangrijke stimulerende rol in zijn ontwikkeling als dichter hebben vervuld. Na enkele vergeefse pogingen werden enkele gedichten in 1910 toch geplaatst in het tijdschrift De Beweging van Albert Verwey. De vroege poëzie toont invloeden van P.C. Boutens. In later werk is vooral de invloed van Karel van de Woestijne merkbaar. Bloem was intelligent, maar toonde geen enkele werkdrift ten aanzien van zijn studie. Veel geld gaf hij uit aan boeken en later ook aan drank, waarbij hij zich in de schulden stak. In 1915 was hij ernstig ziek door pleuritis. In 1916 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit Utrecht tot doctor in de rechtswetenschap op 24 stellingen, merendeels ‘geleend’ van P.N. van Eyck.[1] Daarna begon een nieuwe lijdensweg, omdat hij nu een baan moest aanvaarden op de gemeentesecretarie te Amsterdam. Ook van de nieuwe woonplaats van zijn ouders, Almelo, had hij een diepe afkeer. Zijn baan, en ook de volgende banen, hield hij niet lang vol. Liever was hij burgemeester, maar toch weigerde hij na de dood van zijn vader diens burgemeesterspost te Hardenberg, die hem werd aangeboden. Slechts het redacteurschap van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1920-27), dat hem naar Rotterdam bracht, hield langere tijd stand. In 1921 kwam zijn debuutbundel Het Verlangen uit. In 1925 ontmoette Bloem, als gecommitteerde voor Frans en Engels bij het eindexamen HBS, de 20 jaar jongere Clara Eggink. Ze trouwden in 1926, maar Bloem had een ideaalbeeld van een jonge vrouw voor ogen waaraan geen mens kon voldoen. De geboorte van hun zoon Wim in 1927 bracht hen tijdelijk tot elkaar, maar vrijwel gelijktijdig werd Bloem ontslagen bij de NRC wegens gebrek aan ijver en persoonlijke conflicten. In 1928 werd hij benoemd tot griffier in De Lemmer en het echtpaar vestigde zich in Sint Nicolaasga, waar hij spoedig weer over eenzaamheid klaagde. Wel kregen zij bezoek van vele bevriende dichters en schrijvers zoals E. du Perron, Hendrik Marsman, J.J. Slauerhoff en Theun de Vries. Na een periode van geringe productiviteit begon Bloem omstreeks 1930 weer meer te schrijven. Het waren verinnerlijkte gedichten, die echter een sombere levensvisie vertolkten. In 1931 ging het gezin in Breukelen wonen, waar Bloem griffier werd bij het kantongerecht, maar weinig ijver toonde. Ook bleek zijn huwelijk met Eggink een onmogelijke relatie gezien het grote contrast tussen beide personen: zij jong, sportief, dynamisch, mooi en ambitieus – hij dik, vaak dronken, lui en afwezig. In 1932, het jaar waarin zijn moeder overleed, scheidden Bloem en Eggink. Eggink trouwde daarna met dichter Jan Campert. Ook in 1932 verscheen in De Gids van de hand van hoofdredacteur Martinus Nijhoff een vernietigende recensie van Bloems zojuist uitgekomen bundel Media Vita, die leidde tot een conflict tussen Bloem en Nijhoff. Nadat het kantongerecht in Breukelen was opgeheven woonde Bloem op verschillende adressen. Hij kwam terecht in Kijkduin, waar Clara Eggink bij hem ingewoond heeft, en verhuisde in 1936 naar Den Haag. Hij had in 1935 een baantje bij het Ministerie van Sociale Zaken gekregen dat tot 1942 duurde. In 1939 ging hij weer bij Clara Eggink wonen nadat zij gescheiden was van Jan Campert. Ondertussen kwam in 1937 zijn bundel De Nederlaag uit. Zoals de titel al aangeeft straalt ook die een sombere levensvisie uit. De bezetting in 1940 noodzaakte hem naar een pension in Voorburg te verhuizen. In 1942 werd hij griffier te Zutphen. Hij verbleef in pensions in het naburige Warnsveld. Hij nam ontslag in 1945. Na de bevrijding woonde hij in Zutphen, weer korte tijd met Clara Eggink. Zij vertrok naar Amsterdam en in 1946 ging ook hij daarheen. In 1947 kwam de bundel Quiet though sad uit, met tien gedichten, waaronder het bekende ‘De Dapperstraat’. Nadat Adriaan Roland Holst een bezoek aan Zuid-Afrika had gebracht volgde Bloem diens voorbeeld in 1947. Hij bezocht daar zijn vriend Greshoff. Omstreeks deze tijd kwam ook zijn algemene erkenning als dichter. In 1947 werden zijn Verzamelde gedichten uitgegeven, en ook ontving hij belangrijke literaire prijzen, zoals in 1949. In 1952 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.In 1952 verscheen een van Bloems bekendste gedichten, ‘Insomnia’, voor het eerst in druk – in de Schrijversalmanak voor het jaar 1953 In 1959 verhuisde Bloem op verzoek van Clara Eggink naar Kalenberg, waar zij met haar woonboot De Wijze Uil aangemeerd lag. De naastgelegen boerderij werd opgeknapt en daar sleet Bloem zijn laatste jaren. Er verschenen bloemlezingen en voor het eerst vond hij enig geluk en enige vrede. Maar slechts kort: een reeks hersenbloedingen, de eerste in 1963, en pernicieuze anemie maakten zijn leven steeds zwaarder. Na een vierde hersenbloeding overleed hij in 1966. Clara Eggink en hij liggen begraven te Paasloo.

Beoordelingen

Er zijn nog geen beoordelingen.

Wees de eerste om “Sintels, J.C. Bloem.” te beoordelen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.